moet nog herwerkt worden!!

Identiteit, essentialisme, identiteitspolitiek, subjectiviteit

Het concept** identiteit** is een kernconcept binnen het hedendaags feminisme en kan het best begrepen worden via haar binaire partner het verschil. Identiteit is dus altijd een constructie die berust op uitsluiting (i.e. op wat men niet is of op wat anderen niet zijn), wat dikwijls gelinkt wordt aan machtsposities: cfr. vrouwelijkheid als identiteit. Grotendeels onder invloed van het poststructuralisme wordt identiteit niet langer beschouwd als iets statisch, maar als een proces, als iets dat veranderlijk en fragiel is, geen kern of essentie, noch absolute grenzen in tijd en ruimte heeft. Door dit te aanvaarden deŽssentialiseert men de notie identiteit. Toch vinden we in heel veel feministische literatuur een stabiele vrouwelijke identiteit terug. Een essentialistische definitie van de 'vrouwelijke' identiteit suggereert dat er een duidelijk, oorspronkelijk en onveranderlijk geheel van karakteristieken bestaat die alle vrouwen gemeenschappelijk hebben. In een eerste courante betekenis van **essentialisme** worden biologische, fysiologische en genetische grondslagen als verklaringen voor sociaal gedrag gehanteerd. Weinig of geen aandacht wordt besteed aan sociale, psychologische of culturele componenten of logica's. Een illustratie hiervan is de stelling dat mannen agressiever zijn dan vrouwen ten gevolge van hormonale verschillen. Biologie wordt dan aangewend om specifiek sociaal gedrag als onveranderlijk en dus onvermijdelijk voor te stellen. Eveneens essentialistisch is de idee dat de vrouwelijke identiteit tot ťťn enkele oorsprong gereduceerd kan worden. Een dergelijke essentie doet dan dienst als verklarende variabele voor de complete identiteitsconstructie. Essentialisme verwijst dus naar de opvatting dat mensen en/of fenomenen een onderliggende, homogene en onveranderlijke authentieke essentie hebben, die constituerend en determinerend is voor die entiteiten en als stabiele referent ervan dienst doet. De sociale categorie 'vrouwen', bijvoorbeeld, zou een onderliggende essentiŽle identiteit weergeven, waardoor een stabiele waarheid gevonden kan worden (i.e. de essentie van vrouwelijkheid). Men argumenteert dus op basis van een ontologie die zich buiten de sfeer van culturele invloed en historische verandering situeert. Politieke identiteiten worden dikwijls gearticuleerd op basis van essentialistische claims, die gezien kunnen worden als dominante strategieŽn of 'power-acts': i.e. politieke praktijken die identiteiten claimen om die vervolgens aan te wenden als politiek vertrekpunt. Identiteit is dus een belangrijke factor van politieke mobilisatie. **Identiteitspolitiek** is een culturele politiek die de collectieve identiteit van een gegeven groep sterk beklemtoont en die als basis neemt voor politieke analyse en actie. Identiteitspolitiek behelst doorgaans twee dingen: (a) het primaat van de uniciteit en homogeniteit van de groep, en/of (b) een analyse van haar specifieke onderdrukking. Niet zelden worden groepen gedefinieerd als zodanig van elkaar verschillend dat productieve interactie zinloos is: wat ten goede komt aan de ene, gaat noodzakelijk ten koste van de andere(n). Vandaar dat identiteitspolitiek dikwijls haar toevlucht neemt tot een vorm van protectionisme van het zelf, gebaseerd op het vieren van de groepsidentiteit. Binnen het feminisme neemt identiteitspolitiek twee, onderling verwante gedaanten aan, die we kunnen aanduiden met verschilfeminisme(n), waarbij men enerzijds een identiteit construeert op basis van het verschil tussen mannen en vrouwen. En anderzijds de focus legt op de onderdrukking van de vrouwelijke sekse.

Er wordt vaak aangenomen dat het loslaten van essentialismen politieke actie onmogelijk maakt: e.g. het loslaten van 'vrouwen' als een coherente identiteit maakt een interne groepssolidariteit en -loyaliteit, en dus een feministische politiek in het algemeen onmogelijk. Binnen de feministische theorievorming bestaat er rond het thema van de menselijke essentie een lange traditie van controverse die verantwoordelijk is voor een groot deel van de constitutieve spanningen binnen het feministische veld. In de loop van de jaren '80 begonnen veel van de discussies zich te concentreren rond de invocatie van de categorie 'vrouwen'. De spanning tussen de claim van een vrouwelijke identiteit enerzijds, en het weigeren van zo'n identiteit anderzijds, werd een centraal thema binnen de feminische theorie. **Subjectiviteit** (Waarbij subjectiviteit refereert naar de conditie een persoon te zijn en het proces om een persoon te worden m.a.w. hoe wij geconstrueerd worden als subjecten. Als subjecten, i.e personen, zijn wij 'subject van' een sociaal proces welke ons maken tot subjecten voor onszelf en anderen.) was lang reeds een vitale discussiepunt binnen het feministische debat, maar nu ontstond, vanuit de weigering van zo'n gedeelde vrouwelijkheid, een 'contingent postgendered subjectivity': subjectiviteit wordt, al naar gelang omstandigheden of toeval, meervoudig en flexibel ingevuld en losgekoppeld van gender. Subjectiviteit wordt gezien als een effect van discours. De essentialistische strategie wordt sterk bekritiseerd omdat ze monocausaal is, enkel naar bepaalde kenmerken van vrouwen kijkt en de verschillende sociale condities en culturen van onderdrukking veronachtzaamt. Niettemin is voor veel feministen een stabiele identiteit van vrouwelijkheid nog steeds een noodzaak in termen van politiek engagement en actie. Zij argumenteren dat het weigeren van een vrouwelijke identiteit een afstand creŽert van de realiteit en dat men op die manier het eigenlijke onderwerp van het feminisme deconstrueert.

Deze kwestie heeft in de jaren '90 binnen de feministische theorie aanleiding gegeven tot een ware paradigmastrijd, met Seyla Benhabib en Judith Butler als opponenten (cfr. Benhabib e.a. 1995) en met duidelijke fundamenten in de nature-nurture polemiek: categorieŽn van sekse en gender werden druk bediscussieerd en het concept van agency verwierf een centrale plaats in het debat. Het dispuut gaat in principe om de positiebepaling van het hedendaags feminisme ten aanzien van de uitdagingen waarmee de postmoderne kritiek ons confronteert. Aangenomen dat de ultieme doelstelling van het feministisch project nog steeds de revocatie is van de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen, dan stelt zich de vraag of het postmoderne denken hiertoe wel een zinvolle bijdrage levert. De centrale thesen van het poststructuralisme (e.g. de stelling dat het subject discursief geconstitueerd is, het einde van de emancipatorische metadiscours enz.) zijn in strijd met het principe van een autonome en zelfreflexieve subjectiviteit, waarop een feministische politiek noodgedwongen is aangewezen. Weliswaar is er ook voor Benhabib geen subjectiviteit denkbaar zonder dat die door discours gestructureerd is, maar het erkennen van zulke sociale en culturele invloeden is nog wat anders dan het subject te beschouwen als een louter product van discours. Samengevat poneert Benhabib het bestaan van een autonoom subject, dat evenwel gepositioneerd moet worden in sociale en discursieve praktijken. De feministische beweging, zegt zij, heeft nood aan een notie van een collectieve subjectiviteit die politiek strategisch moet worden aangewend. Aan de ander kant situeert zich de poststructuralistische theoretica Judith Butler (1990; 1993; 1997). Zij verwerpt het funderen van een feministische theorie in een vrouwelijk essentieel subject, omdat dit automatisch leidt tot uitsluiting: wie mag spreken en wie wordt uitgesloten? Van belang, zegt Butler, is te achterhalen wat door dit normatief funderen uitgesloten of verworpen wordt, en het poststructuralisme is een noodzakelijk instrument om deze universalistische claims telkens opnieuw te problematiseren. In antwoord op Benhabib stelt Butler dat de postmoderne kritiek van het subject geen miskenning of censuur is van het subject als dusdanig, maar een in vraag stellen van diens funderende en normatieve premissen (Butler 1993). Het gaat niet om een afzegging van het idee van het subject, maar veeleer om een kritiek van de vanzelfsprekende norm van dat subject: i.e. mannelijk, rationeel enz. Het zou fataal zijn, aldus Butler, indien feministen het hegemonisch model dat hen onderdruk zouden overnemen, omdat precies ťťn van de functies van die hegemonie de productie en regulering van subjecten is (Butler 1993, 48-50). De identiteit 'vrouw' kan dus niet de uitgangspositie zijn van een emancipatorisch feministisch project: identiteitscategorieŽn hebben nooit een louter descriptief, maar ook een normatief en bijgevolg exclusief karakter. Het feminisme project moet die identiteitscategorieŽn deconstrueren en een performatieve resignificatie in de plaats stellen. Anders gezegd, voor Butler kan er dus geen sprake zijn van een feministische subjectpolitiek. Als strategie stelt zij voor om de dominante definities van 'vrouwen', en de bijbehorende identiteiten te ontmaskeren. Zij kiest er voor de categorie van 'vrouwen' open te laten voor resignificatie en permanente negotiatie: dit wil zeggen, een nieuwe, meervoudige invulling aan 'vrouwen' te geven door betekenissen voortdurend te herarticuleren (Butler 1990; Mouffe 1995). Het gegenderde subject wordt dus gezien als gemaakt door discours en de strategie is erop gericht de dominante norm constant te ondermijnen. Als de categorie 'vrouwen' niet meer correspondeert met een geŁnificeerde en unificerende essentie, dan is de vraag niet langer hoe zo'n categorie geŁniversaliseerd kan worden. In de plaats daarvan wordt de aandacht verlegd naar de manier waarop, binnen verschillende discours, 'vrouwen' als categorie geconstrueerd worden, hoe in sociale relaties de seksuele differentiatie tot een pertinente distinctie wordt gemaakt en hoe relaties van onderdrukking geconstrueerd worden aan de hand van deze distinctie (Mouffe 1995). Het cummulatieve resultaat van al deze discussies binnen feministische theorie hebben er voor gezorgd dat men nog slechts met aarzeling en ongemak spreekt over een stabiele vrouwelijke identiteit. Daar waar in de conceptie van een essentialistische vrouwelijke identiteit geen invulling kan worden gegeven aan alle vrouwen en alle ervaringen van vrouwen, tekenen zich de limieten van een feministische epistemologie af. Aan de hand van de concepten van subjectiviteit en agency probeert men een brug te slaan tussen non-essentialistische ontologische posities en de politieke praktijk. Vooral Judith Butler heeft met haar publicaties hier een bijdrage geleverd. De alternatieve strategie die Chantal Mouffe (1995; 1997) voorstelt zit deels op ťťn lijn met die van Butler. De focus moet verlegd worden naar de transformaties in discours: bijvoorbeeld, discours waar vrouwen worden gearticuleerd als onderdrukt. De strategie bestaat dus uit het transformeren van alle discours, praktijken en sociale relaties waarin de categorie 'vrouwen' geconstrueerd wordt. Volgens Mouffe kan een politieke vrouwenbeweging enkel bestaan als zij specifieke allianties vormt, waardoor een tijdelijke feministische identiteit gevormd wordt. Deze tijdelijke allianties zijn het alternatief voor een strategisch-essentialistische feministische identiteit. De vrouwenbewegingen sluiten zich aan bij een radicaal-democratisch alternatief dat zich keert tegen verschillende vormen van onderdrukking. Met andere woorden, de feministische beweging articuleert haar strijd met andere democratische projecten: (Mouffe 1995, 329). Tenslotte dient hier ook nog Donna Haraway (1991) vermeld te worden, die met haar concept van 'situated knowledge' eveneens een radicale herinvulling van het feministisch politiek project beoogt. Haraway gaat ervan uit dat een subject met een coherente identiteit betekenisloos is. Feministen maken een fout wanneer ze veronderstellen dat het verlies van de notie genderidentiteit gelijk is aan het verlies van vrouwelijke agency. De mogelijkheid van agency wordt hierbij gelinkt aan de notie van subject en subjectiviteit. Een subjectiviteit die vanuit de gesitueerde kennis refereert naar de mogelijkheid van fragmentatie en hybriditeit en dus het idee van identiteit in vraag stelt. Voor Haraway (1991) zijn identiteiten contradictorisch, partieel en strategisch en er is dan ook niets dat de basis vormt voor het geloof in de essentialistische eenheid van 'vrouwen'.

Bronnen:
Benhabib, S. (1995), Feminism and postmodernism, pp. ŅŅ-ŅŅ in S. Benhabib, J. Butler, D. Cornell & N. Fraser (eds.), Feminist contentions: a philosophical exchange. New York: Routledge.
Butler, J. (1997), Subjects of sex/gender/desire, pp. 278-285 in: S. Kemp & J. Squires (eds.), Feminisms. Oxford: Oxford University Press.
Butler, J. (1993) Bodies that matter: on the discursive limits of 'sex'. London: Routledge.
Butler, J. (1990) Gender trouble: feminism and the subversion of 'identity'. London: Routledge.
Haraway, Donna (1991) Simians, cyborgs, and women: the reinvention of nature. London: Free Association Books.
Mouffe, Chantal (1997) The return to the political. London: Verso.
Mouffe, Chantal (1995) Feminism, citizenship and radical democratic politics, pp.315-331 in: L. Nicholson & Seidman (eds.) Social Postmodernism. Beyond identity politics. Cambridge: Cambridge University Press.