Feministische epistemologie

Epistemologie stelt vragen naar de manier waarop aanspraken op kennis of wetenschap gelegitimeerd worden. Wat wordt als kennis of wetenschap beschouwd (en wat niet), op welke gronden, welke vooronderstellingen komen hierbij kijken, wie wordt beschouwd als een kennend subject (en wie niet). Een van de gevolgen van dergelijke vragen is dat het begrip 'objectiviteit' in vraag gesteld wordt. In de heersende opvatting over objectiviteit wordt het concept namelijk begrepen in termen van universele waarheid, en los van macht of belangen. Kritische epistemologische vragen vormen bij uitstek een aanleiding om wetenschap en kennis te bekijken als machtssystemen, waaraan specifieke uitsluitingsmechanismen ten gronde liggen.

Het is dus niet verwonderlijk dat feministische engagementen, zowel binnen en buiten de wetenschappen, tot een feministische interesse in epistemologie geleid hebben. De kritische wie- en wat-vragen hebben aanleiding gegeven tot een uitgebreide kritiek op het **androcentrisme** van heersende wetenschap en kennis. De vraag naar wie het (expliciete of impliciete) subject van (wetenschappelijke) kennis is, stelt feministes in staat om de systematische uitsluitingen van vrouwen als kennend subject zichtbaar te maken. Concreet is de geschiedenis van de filosofie gedurende duizenden jaren, en de geschiedenis van de moderne wetenschap gedurende honderden jaren, gekenmerkt door een systematische uitsluiting van vrouwen als legitieme denksters of wetenschapsters. Die uitsluiting ging hand in hand met een ontwikkeling van een heersende notie van rationaliteit in het Westerse denken die als 'mannelijk' beschouwd werd; een rationaliteit waarop vrouwen minder of zelfs geen aanspraak zouden kunnen maken.

Een kritische blik op wat legitieme objecten en bronnen van kennis zijn, laat feministes toe om zichtbaar te maken dat de levens van vrouwen doorgaans niet als relevant beschouwd worden in de productie van wetenschappelijke kennis. Een 'banaal' voorbeeld hiervan zijn de gekende experimenten binnen psychologie met enkel mannelijke proefpersonen die vervolgens conclusies pretenderen op te leveren voor algemeen 'menselijk' gedrag. Maar het reikt veel verder: het feit dat het gangbare hoge niveau van theoretische abstractie in de wetenschap makkelijk als 'universeel' voorgesteld wordt - en dus zogezegd zonder banden met de concrete posities van het denkende subject van de theorieën - is hier eveneens relevant. De wetenschappelijke productie van theorieën is traditioneel een mannenzaak, hetgeen betekent dat de concrete levens en ervaringen van die mannelijke theoretici op allerlei manieren particuliere sporen nagelaten hebben in hun vermeende 'universele' denken. Maar de heersende wetenschapspraktijken kennen een sterke tendens om die particuliere uitgangspunten van het denken te maskeren, te verschuilen achter een masker van 'universaliteit'.

Sekse is trouwens niet het enige structurerende mechanisme van machtsongelijkheid dat de wetenschappelijke productie van kennis tekent, ook andere machts-assen zoals etniciteit, klasse, seksualiteit, etc. spelen een cruciale rol. Zowel binnen als buiten de wetenschappelijke instituties hebben feministen op verschillende manieren deze uitsluitingsmechanismen in de productie van kennis proberen zichtbaar maken en veranderen. Dit leverde een beter begrip van de gesitueerdheid van alle kennisaanspraken op, zoals dat met name door Donna Haraway en anderen getheoretiseerd werd.

Een deel van de feministische theorie houdt zich bezig met het in kaart brengen van de verschillende wetenschapskritieken en epistemologische strategieën in het werk van feministische denksters. Met name Sandra Harding stelde in deze context een bruikbare typologie voor.